Kattentreurnis

Om niet elke maand vijftien procent van ons zuurverdiende salaris weer terug te storten op de bankrekening van onze werkgever, hamsteren mijn vrouw en ik onze dagelijkse levensmiddelen regelmatig bij een supermarkt zonder blauwletterig uithangbord aan de gevel. Deze vrijdagavond brengt dit voedselmatig vreemdgaan ons naar de Fahrenheitstraat, waar wij op de terugweg de ovonde tussen de Valkenboslaan en de Weimarstraat passeren. “Wist je dat op deze hoek vroeger een grote broodfabriek stond?”, vraag ik mijn vrouw letterlijk en passant. “Toch geen geschiedenisles hè?”, werpt zij met smekende blik tegen, beducht als zij is voor mijn educatieve, doch onhebbelijke gewoonte om tijdens onze wandelingen allerlei wetenswaardigheden op te dissen die slechts door de bewoners van Oud Eik en Duinen of St. Petrus Banden bevestigd kunnen worden. Ze doen dat alleen zo zelden.

“Nee, dit weet zelfs je vader nog wel”, probeer ik haar interesse te wekken, maar kans om mijn stadskennis verder te etaleren krijg ik niet. “Ah… Kíjk Nou!”, roept mijn vrouw met een stem vol vertedering, terwijl ze naar de etalage van voormalig snackhuis ‘t Vosje wijst. Achter het venster van het verder volstrekt verlaten interieur bevinden zich twee roodharige katten die, nu zij onze aandacht hebben, alles in hun vermogen leggen om die belangstelling zo lang mogelijk vast te houden. In het decor van een dierenwinkel zou dit tafereel hartverwarmend overkomen, maar in deze kille ambiance van harde vloertegels, kale tegelwanden en afgedopte zwanenhalzen worden we overvallen door de tragiek die achter deze hunkering naar liefde schuilgaat. “Ze zitten er zeker al de hele winter”, vertel ik mijn vrouw. “Op echt koude dagen zag je alleen hun silhouet achter het glas. Bezorgde buurtbewoners hadden zelfs dekentjes door de brievenbus gepropt en losse brokjes naar binnen geworpen. Maar voor dat laatste hebben de eigenaren nu een stokje gestoken.” Ik wijs haar op een briefje achter het raam, dat poogt overbezorgde passanten gerust te stellen. ‘Voor de katten wordt gezorgd’ staat er op te lezen. Een buurtbewoner heeft hieronder in trillerig handschrift enige nuance aangebracht: Geef ze een wat water! Dit is toch geen leven?’ luidt de boodschap.

“Dat is toch wel een speelgoedmuis, hè”, vraag ik mijn vrouw, terwijl ik tegen de ruit tikkend de vloertegels binnenin probeer aan te wijzen. “Dat denk ik toch niet”, klinkt haar oordeel, dat meteen een helder licht werpt op het bestaansrecht van dit roodharige tweetal in eenzame opsluiting.

“Wat een drama om twee katten” hoor ik u nu denken en ik wéét dat u gelijk heeft. De pels van dit roodharige duo glanst in de lentezon, hun leefruimte is geventileerd, ze kunnen van de vloer eten en buiten het gezichtsveld van nieuwsgierige interieurtoeristen zijn er vast sanitaire voorzieningen getroffen. Maar tegelijkertijd is hun bewegingsvrijheid beperkt tot enkele kale vierkante meters die, op de aandacht van toevallige voorbijgangers na, geen enkele prikkel geven tot een gelukkig en zinvol kattenbestaan. Niet bepaald een misstand om uw lokale volksvertegenwoordiger onmiddellijk op te wijzen en wellicht is het ook wat overtrokken om de etalage van Valkenboslaan 198 vol te plakken met pamfletten die de baasjes er op attenderen dat zelfs rode katers liefde nodig hebben. Maar ik kan u natuurlijk ook niet tegenhouden…

Leave a reply